| Greetings Home |
| 1 PHiLES home |
Ezra Pound schiet vuur want denkt de duivel te zien.
Maar die staat achter hem.
Ezra Pound is een dichter. Zeggen ze. Een Amerikaan die naar Italië ging toen hij in 1908, hij was 23, vond dat hij thuis te weinig aandacht kreeg. Ondernemend was hij dus wel. Ook was hij juichend over enkele beginnende artiesten, zoals de dichters Robert Frost and D.H. Lawrence, beeldhouwers Jacob Epstein en Henri Gaudier-Brzeska en de schrijver James Joyce, voordat anderen op het idee waren gekomen dat dat wel eens wat zou kunnen wezen. Ik zeg dat, omdat dat het vermoeden geeft dat dingen zijn waar hij verstand en gevoel voor had.
Ik heb echter zijn "Selected Prose 1909-1965", verzorgd door William Cookson (New York: New Directions Publishing Corporation, hieronder afgekort als SP) gelezen, en daaruit maak ik allereerst op dat hij inderdaad buitensporig veel behoefte aan aandacht had. Elke stelling in het boek slaat de voorgaande bijkans aan barrels en de bijbehorende argumentatie mag je steevast zelf bedenken.
De wereld van
Pound bestaat uit 1) Kwaad en 2) Goed. Er is overduidelijk een duivel die
bestreden moet worden. Maar waar zit hij? Pound sloopt hele geschiedenis van
maatschappij, politiek en cultuur, en alles gaat in de hens om de boel uit te
roken. Hier rechts ziet u hem na het teweegbrengen van een heftige explosie
kijken of hij nog iets ziet bewegen.
Pound is een fundamentalist, brandschattend op zoek naar een fundamentalisme. Voor enkele van mijn persoonlijke helden (waaronder J.M. Keynes) leidt dat in een oogwenk tot de verstikkingsdood maar er komen ook helden levend uit de rokende holen gekropen: Hitler en Mussolini. Want die begrijpen wat geld is.
Geld???
Geld! Jazeker! Want het draait in de wereld, Pound weet het zeker, om geld.
En voor het Kwaad bij uitstek leent zich papiergeld. Goud en zilver is geen probleem, maar die briefjes met iemand's handtekening erop, dat eenieder die er mee naar hem komt er zo en zo veel voor kan krijgen. Het gaat niet om het papiergeld zelf, maar om hoe de papiergeldbazen, de bankiers en de overheid, er mee omgaan. Hoeveel er van gedrukt wordt en wie het krijgt. Volgens Pound wordt er te weinig gedrukt en wordt het gegeven aan de verkeerden. Maar Pound is er, denkt hij zelf, ook achter gekomen hoe komt: die bankiers zijn meestal joden, en als ze dat wel eens niet zijn, zijn het kwa karakter eigenlijk toch meestal een soort van joden.
Uitroken dus.
Maar de socialisten moeten ook uitgerookt worden: die geloven dat een mens een onderdeel is van een geheel. En het is, vindt Pound, juist omgekeerd: de mensheid is een verzameling individuen, niet een geheel dat in onderdelen is verdeeld. De enige dingen die er toe doen zijn de dingen die het individuele leven interessanter maken (SP p.200).
Het geld moet gegeven worden aan de mensen die het het meest nodig hebben. Dat begrijp je pas als je begrijpt waar geld voor is. Als je namelijk bijvoorbeeld denkt dat geld een mensenval is of een middel om de bevolking te laten bloeden dan zul je denken dat de "Rothschilds en de internationale bankiers" (SP p.291-2) het geldverkeer heel goed regelen. Als je denkt dat het er voor is om winst uit het publiek te pesten, dan zul je een hoge pet op hebben van de effectenbeurs. Je zult dus, schrijft Pound, met wat principes moeten beginnen. En daar zit Pound niet verlegen om. Daar komt het al: het doel van een gezond en fatsoenlijk economisch systeem is alles zo vast te stellen dat fatsoenlijke mensen eten, kleding en behuizing hebben tot het niveau van wat beschikbaar is.
Pound heeft een boek van Major Clifford H. Douglas (naar wiens gedachten in 1935 in Canada een splinterpartij "Parti du Crédit Social" werd opgericht die het drie jaar volhield) gelezen die meent dat locale autoriteiten "credit" (lees bankbiljetten) moeten uitreiken. Je kunt bankbiljetten immers drukken, dus dat kan het probleem niet zijn, zo duur is dat niet. Dat de prijzen omhoog gaan omdat je extra geld in omloop brengt waarmee kopers elkaar gaan overbieden, m.a.w. dat je inflatie krijgt, dat vindt Pound een vogelverschrikker (bogey) die de mensen bang moet maken voor iedere expansie van de geldhoeveelheid. Echte inflatie, betoogt Pound, heb je pas als je geld in omloop brengt waar je niets voor kunt kopen omdat alles al op is, zoals wanneer je een tweede ticket verkoopt voor dezelfde stoel voor dezelfde avond in hetzelfde theater. Geld kun je uitgeven zolang er nog mensen zijn die je er iets voor willen verkopen (SP p.295, deze passage is van 1920 dus Pound heeft op het terras van zijn literaire café nog geen berichten over de Duitse hyperinflatie van 1923 kunnen lezen).
Zo doe je dat. De staat (schrijft Pound negentien jaar later, in 1939, de hyperinflatie heeft zijn geloof in zijn theorie niet echt kunnen schokken) moet overal de prijs van vaststellen, en dan het geld eerlijk te verdelen zodat ieder kan kopen wat nodig is (SP p.293). De waarde der dingen komt van arbeid en van de natuur. Nou, de natuur is gratis, en heel veel zaken (duurzame goederen als wegen en gebouwen, en eeuwige zegeningen als uitvindingen en gedichten) zijn gedaan en gemaakt door mensen die al lang dood zijn en er dus niet meer van hoeven te eten. Anderen kunnen dat dus nu gratis gebruiken. En mensen als Mussolini en Hitler zijn begonnen zowel het geld en de goederen te verdelen volgens de deugden en de activiteiten van Italianen en Duitsers (SP p.294).
Pound heeft geen tijd gehad zich, al was het maar tot krantenlezers-niveau,
in te werken in de economische politiek van Hitler en Mussolini. Wat de
universiteit van zijn tijd voortbrengt deugt naar Pounds mening niet want het
gros van geleerdheid is compleet ten onder gegaan; "de fascinatie van het
technisch en mechanisch onderwijs is extreem verleidelijk geweest (ik bedoel
zeker de studie van machines, de aandacht voor allerlei soorten motoren, de
dronkenschap van de mechanische efficiëntie, in alle opwinding van haar zeer
snelle evolutie)", (SP p.195). Van technische
vooruitgang moet Pound dus niets hebben en hij wil er ook niets van weten ook.
Economische verhandelingen (SP p.209) plegen
volgens Pound menselijke waarden te verwaarlozen; zij stellen zich tevreden met
statistische tabellen, die vanuit het gezichtspunt van de algemene lezer vaak
net zo goed omgewisseld of om de kop afgedrukt zouden kunnen worden zonder dat
daarmee de gedachtengang erg aangetast zou worden. Dat heeft Pound dus ook
allemaal van zichzelf niet hoeven te bestuderen. En religie is kramp, een
atrofie van de geest, door slimmen bij dommen teweeggebracht om hen te
manipuleren, dus daar zijn we ook snel klaar mee. Tenslotte: wie weet heeft
Pound ooit van zijn leven met een echte bankdirekteur of een echte jood
gesproken. Maar bij een "algemene lezer" (mijn aanhalingstekens) als ik wekt hij
niet die indruk.
Ezra Pound moet door zijn extreme zuinigheid bij de besteding van energie aan
het opdoen van enige eruditie op het terrein waarop zijn proza zich bewoog over
de uitgebreide reserves hebben beschikt die nodig zijn om een groot dichter te
worden. Maar of het daar ook van gekomen is kan ik helaas niet beoordelen. Want
als ik zijn gedichten lees, ehhh....hoe zou Pound dat zelf eigenlijk zeggen? Dat
zal de lezer nu zelf wel kunnen verzinnen:
"zijn gedichten geven de algemene lezer vaak de indruk dat hun woorden net zo goed in een willekeurige andere volgorde gedrukt hadden kunnen worden zonder dat er aan de algehele impressie iets noemenswaardigs zou zijn veranderd."