|
De begeerte tot verpopping gewekt
Reeds tijdens mijn
Amerikareis begin 2001
gaf ik blijk van een aangetrokken zijn door verrijdbare schaftketen. Ook in de
Alpen ontging een schaftkeet mij zelden, noch tegen de
wanden rond de Pré du
Bonheur, noch elders, zoals daar waar de schaftkeet een centrale rol speelt
in mijn Filosofie van het Bezit.
Nomadisch leven is in de filosofie van PHiLES, de wetenschappelijke afdeling van
MINDPHiLES.com, het paradigma voor het rechte pad in de filosofie, zoals de
welkomstpagina van PHiLES reeds jaren uitzingt.
Al met al speet het mij al jaren dat ik niet persoonlijk een verrijdbare
schaftkeet nodig had. Als ik er weer een zag, schreef ik steevast de naam en het
telefoonnummer op, er door de fabrikant er in alle bescheidenheid op alle vier
wanden op aangebracht. Zou ik niet toch een reden kunnen vinden om tot aanschaf
over te gaan? Uiteindelijk bracht mijn nakende emigratie naar Uganda en de
daaruit voortvloeiende noodzaak tot een eenvoudig Europees pied à terre
(een voet is tenslotte iets dat kan bewegen) uitkomst. Dat moment kan ik
makkelijk terugvinden. Tijden lang namelijk stond op mijn klussenlijstje de
taak: "reden vinden om schaftkeet te moeten kopen". De afvoer van dat lijstje in
mijn database geschiedt door het prioriteitsgetal (hier: 1) te vervangen door
het datumgetal (hier 010529). Daaruit blijkt dat ik op 29 mei 2001 de benodigde
reden had gevonden. Hij staat er overigens niet bij vermeld dus ik weet niet
meer zeker hoe hij precies luidde. Hoe dan ook, ik ging spoorslags over tot
bestelling van een onderhoudsarme lichtgewicht snelverkeers schaftkeet zonder
binnenwanden, met neuswiel, propaanflessenkast met drukregelaar en gevelkachel
bij Böhmer Schafketen BV te Doetinchem.
De zaak is deze: ik kan inmiddels een beetje vliegen (zie Bert vliegt- drie vliegvideoclips voorstellende mijzelf in eigen persoon in de lucht, met uitleg over parapente), maar een echte vlinder voel ik mij nog niet. Meer een rups. Om een vlinder te worden moet ik verpoppen. De schaftkeet wordt om zo te zeggen mijn pop. Het inbouwen van de schaftkeet vóór mijn huis, het één voor één installeren van het noodzakelijke en het aangename toebehoren, en uiteindelijk het bij huis in gebruik nemen van de keet om te bezien waarvoor je nog het huis in loopt en wat er dus nog in moet, dat geheel is het proces van verpopping waardoor ik uiteindelijk het huis weg kan doen en een echte vlinder moet worden. Het werd eens tijd, na ruim vijftig jaar aards rupsengekronkel, gevroet en gevreet
Gereserveerde familiegesprekken
Tot mijn verbazing bleek mijn enthousiasme voor de schaftkeet in
familiekring geen weerklank te vinden. Waarom ik geen camper kocht. Of een
caravan. Als ik naar Afrika ging kon ik toch in Nederland een flatje huren? Mijn
moeder wist er wel een. Waar zet je je zo'n schaftkeet neer?
Ik heb menigmaal uitgelegd dat je een schaftkeet juist overal neer kunt zetten,
desnoods midden op een rotonde, maar dat ging telkens meteen het andere oor uit,
en het oog ook, want zelfs na het lezen van dit journaal bleef mijn moeder het
waar-zet-je-het-neer probleem aansnijden, het lijkt haar ook vreselijk voor mij
zo'n schaftkeet voor mijn huis te hebben, en het helpt niet haar uit te leggen
dat de situatie totaal anders is, nl. dat ik een huis achter mijn schaftkeet
heb.
Bij het bedenken van opties voor een tijdelijke plaats voor de keet zolang ik
nog niet weg kan uit Nederland vielen mijn ouders onmiddellijk af want mijn
moeder wilde zo'n ding absoluut niet bij haar huis hebben. Daarin werd zij grif
bijgevallen door mijn zus Willemien. Zelfs toen ik het ding al lang besteld en
slechts vertelde dat hij binnenkort aan zou komen bleef Willemien de vraag "waar
zet je dat ding neer???" bij herhaling stellen op een toon alsof ik met vaten
kernafval aan het zeulen was. Toen ik zei: "bij mij", was haar reactie: "dat
zullen je buren leuk vinden!".
Dat zijn allemaal voor mij als geciviliseerd intellectueel erg verbazende, maar
toch nuttige reacties, want, zoals aanstonds zal blijken, de aversie van mijn
familieleden tegen de schaftkeet wordt gedeeld door het primitievere gedeelte
van mijn penosewijk Broekhoven, die haar gevoelens op dit punt op niet mis te
verstane wijze zou laten blijken.
Dag 1: Aankomst
Het is maar goed dat ik niet van plan ben vaak met de schaftkeet te rijden. Bij het ophalen op 17 september 2002 bleek 68 km/u juist haalbaar. Niet door het gewicht, maar door de luchtweerstand, want als het lukt aan te pikken bij een truck rij je meteen meer dan honderd. Zo'n schaftkeet is een soort parapente, en ik denk dat hij bij windkracht acht van opzij ook inderdaad de lucht in gaat.
Bij aankomst thuis bleek mijn straat afgesloten wegens
rioolwerkzaamheden. Dat zou nog wel een paar dagen zo blijven. Auto's
mochten achterom door een poortje. Om er te komen moest ik al door het zand van
de opgebroken straat en schuurde daarbij één van mijn fraaie rood-witte
hoekprofielen half los. De breedte van de poort had ik tevoren opgemeten maar ik
had de hoogte vergeten. Die bleek verregaand onvoldoende. Caravan Melis vlakbij,
waar ik goed mee kan opschieten, had stalling op haar terrein aangeboden, maar
dat bleek vol. Overmorgen zou er pas plaats zijn.
Daar stond ik dan, op het Annaplein, met mijn schaftkeet.
"Waar zet je dat ding neer?" galmt de herinnering aan mijn zus Willemien in mijn
hoofd.
Vlak voor de poort naar mijn pleintje dan maar.
Sloten en beveiliging zit er nog niet op, verzekeren doen we niet, dus we slapen
er in. Met GSM en alarmnummer natuurlijk: "Agent, ik slaap hier in een
schaftkeet in de Hoogtestraat en ik voel dat ik word aangekoppeld ..." etc.
Maar er gebeurde natuurlijk niets.
De tweede nacht had ik sloten en een trekhaakbeveiliging. Ik stond inmiddels in
een andere straat om eventuele slimmerikken die gisteren een plan bedacht konden
hebben de wind uit de zeilen te nemen, en wilde al thuis gaan slapen. Maar de
buren, die een rondleiding hadden gekregen, waren stellig in hun mening dat ik
er opnieuw in zou moeten blijven slapen.
Vooruit dan maar.
De derde dag heb ik na vijf uur de steenhopen der rioolwerkers maar zo verlegd
dat ik er net langs kon, mijn pleintje op.
Daar stond hij dan, keurig op eigen terrein, waterpas gekrikt en op zijn
stabilisatoren gezet, slot op het trekoog, de auto er voor.
Ik kon weer rustig slapen.
Dacht ik.
Dag 3: Een bijdrage van het Nederlandse Volk: Het Vrije Polder Ei

Uit gereserveerde gesprekken in familiekring wist ik al dat schaftketen niet
goed liggen bij fatsoenlijke mensen. Ook wachtte ik in spanning op de eerste
graffiti. Wat zouden ze er op zetten?
Maar de eerste schermutselingen bleken toch te bestaan uit het verwijderen
van een licht, en het losdraaien van de steunpalen. Van het effect moet het
vandalengeteisem flink geschrokken zijn, want ik had het bakboordswiel opgekrikt
om de keet waterpas te zetten. Ik hoop maar dat de onverwachte bruuske kanteling
een blauwe plek heeft opgeleverd. Van verder afbreekwerk is in ieder geval
inderhaast afgezien.
Ze moeten me kennen, peins ik, want ze weten welke auto weg moet zijn om te
kunnen gaan vervelen.
's Middags leg ik mijn douchebak en mijn aanrecht met propaanfornuis erin en ga
eens zitten kijken waar ik alles het beste kan zetten.
Een harde knal. Een rotje tussen mijn schaftkeet en de huisdeur.
Niemand te zien.
Ik zet mijn werk voort.
Een doffe dreun tegen de voorkant van de keet. Het
blijkt een ei. Het pleintje is weer geheel leeg. Een ei, dat ga je niet halen
als je een straat verderop woont. Dat ei moet uit een aan mijn eigen pleintje
gelegen keuken komen. Zie je, echt honger hebben de minima nog niet.
Tijd voor een bezoekje aan Opa van de overkant, gezwachtelde schuifelbenen - en
geestelijk simpel, maar dat was vroeger toen hij - naar eigen zeggen -
beroepbokser was ook al zo.
Kom erin.
Vóór ik wat gezegd heb is Opa al zo zenuwachtig en snel aan het brabbelen dat ik
er niets van versta. Het is duidelijk, denk ik zachtjes, hij kent de daders. Dat
spreekt hij niet tegen, maar hij gaat mijn niet vertellen wie het zijn, nee geen
Turken, Nederlandse jongens, rond de zestien. Men achtte het uitzicht verstoord.
Pubers die zich storen aan het uitzicht? Dat wil er bij mij toch niet in. Punt
twee: Opa heeft wel een verdacht helder beeld van de motieven! Punt drie: Opa
zelf heeft het beste uitzicht. Hij zal toch niet zelf de instigator zijn? Ik
kijk even in zijn keukentje maar zie geen openstaande eierdoos. Verder is er
maar één blanke Nederlandse jongen die vanuit zijn kamer uitzicht op mijn
schaftkeet heeft, die woont naast Opa en dat is zijn eigen kleinzoon.
Tsja Opa, zeg ik, die schaftkeet moet ik inbouwen, en dat ga ik echt nergens
anders doen, daarna gaat hij weg.
Opa kijkt gerustgesteld. Opgelucht bijna. Oh, is dat alles.
En ehh, Opa, ik doe niet vaak wat, maar als ik wat doe is het zonder politie en
de mensen hebben dan meestal spijt.
Ja, jongen, ik bemoei me nergens mee...
Ik loop over het plein terug zoals Bush die eerste keer na 11 September weer uit
zijn heli door de tuin terug naar het Witte Huis liep. Waardig, met trage pas
door de uitgestorven lijkende leegte, niet wuivend, en zeker ook niet stiekem
speurend naar wat er allemaal achter de bosjes ligt.
Nu weet ik het natuurlijk best: immigranten moeten inburgeren, dus emigranten als ik hebben een uitburgeringsplicht, bovendien krijg ik uit reacties van ethnische Nederlanders uit mijn Tilburgse penosewijk Broekhoven en uit mijn eigen familie de indruk dat ik daarmee al goed bezig ben, maar als het bij deze vandalistische schermutseling blijft voer ik de sharia op mijn pleintje nog maar niet in.
Als ik later mijn eier-verhaal vertel aan
Engelien, Noortje en Bennie Kerkhof, de kinderen van de filosoof Bert Kerkhof en
zijn Inge, resp. 14, 17 en 19 jaar oud, (v.l.n.r.) dan word ik uitgelachen over
mijn conclusie uit de eiergooierij, nl. dat het kinderen van mijn eigen pleintje
moeten zijn, omdat je voor gooi-doeleinden echt geen ei van verder weg gaat
halen.

Ik was niet van deze wereld, kreeg ik te horen: Noortje en Bennie hadden
zelfs wel eens een kwartier gefietst om gooi-eieren op te
halen.
Ik werp tegen dat Noortje en Bennie intelligente pubers zijn die wel een
kwartier kunnen onthouden waar ze mee bezig zijn, maar dat dit van de Tilburgse
kinderen uit mijn wijk niet kon worden verwacht.
Men bleef mij echter als naïeve opa weghonen.
Persoonlijk trek ik mij nog het meest het lot aan van die kip die dat ei
heeft gelegd. Een kip heeft het tegenwoordig toch al niet makkelijk. Vroeger
mocht je lekker in je bloedeigen hokje, een soort mini-schaftkeetje voor kippen,
vreten en eieren leggen maar tegenwoordig word je er door de boer uitgeschopt
zodra er een Functionaris van het Controle Bureau CPE het erf op komt: dan moet
je gaan "scharrelen". Dierenbeulen. Zo'n kip wil helemaal niet scharrelen, maar
bij CPE-bezoek zetten kippeboeren de kippen op een soort elektrische mat en die
gaat dan even onder stroom. Ja, en dan wil je als kip wel scharrelen!
In
orde, dit zijn scharrelkippen, zegt de ambtelijk vertegenwoordiger van het
Nederlandse stroopcircuit dan, hun ei mag je duurder verkopen.
Verder is een ei bedoeld voor een kuiken, en bij pech heeft de kip de troost dat
het nog door een mensenkindje wordt gegeten dat daarna blij en energiek van de
proteïnen naar school huppelt. Vooral voor de kip is een einde van het ei tegen
een turkooise schaftkeet dus een diep trieste zaak. Als ik die kip was zou ik
aan de zin van het leven gaan twijfelen, zo van: heb ik nou dáárvoor op die
stroommat staan te dansen?.

Filosofisch lijkt op het eerste gezicht de vraag interessant welk in de
Nederlandse ethnische cultuur diepgeworteld vandalisme erger is: de eiergooiende
puber of die ambtenaar in zijn uit de consumentenprijs van het ei betaalde
peperdure fourwheel drive van CPE op de ongerepte asfaltwegen tussen de
scharrelboerderijen met zijn formuliertjes. Lijkt, zeg ik, want het is
hetzelfde: het is precies het baantje ("affiniteit met eieren vereist") dat die
polderpuber straks gaat krijgen.
Eet u smakelijk!
Mijn vriend
Ben, die dermate bedreven is in electronica dat hij vele slimme ondernemers zo
goed heeft geholpen dat hij eigenlijk niet meer hoeft te werken (als de aandelen
tenminste niet zo laag blijven staan), beveelt mij aan: zonnepanelen, een
windmolen, converters naar een breed scala van voltages (6,2 V voor de boorakku,
7,6 V voor de video, 12 V voor boordverlichting, 230 V voor standaard apparatuur
etc.). Speciale opladers voor alle akkuus in alle apparaten met regelchipjes die
het laadproces meten en begrenzen. Over- en onderladen van de hoofd-boordaccu
door de diverse generatoren dient weer met aparte regelkastjes te worden
voorkomen, het geheel verbonden op een schakelpaneel vol lampjes en zekeringen
van zo'n twee vierkante meter. Daarvóór zou dan een tafel kunnen komen met een
stoel van waaraf ik als Alpenliefhebber mijn zelfregulerend elektrisch systeem
in de gaten zou kunnen houden, genietend van het feit dat ik niet hoef in te
grijpen en alles vanzelf gaat. Toch tekent Ben voor een eventuele algehele
uitval nog een klemveertje op zijn ontwerp-paneel met een zaklamp erin...
Het paneel zal niet als in zijn eerste
ontwerpvorm worden uitgevoerd, enkele vereenvoudigingen zijn dringend
geboden, maar dat idee van die zaklamp in die klemveer zal gehandhaafd blijven
(een zaklamp op een gewone batterij uit de winkel Ben!).
Ben redt mij nog even van een fout: ik zag die windmolen al aan een mooie mast
langs de keet gemonteerd.
Dan slaap je nooit meer, zegt Ben gedecideerd. Dat ding bromt en de keet is een
klankbord dus dan lig je in een soort contrabas te slapen.
De windmolen moet los "verstaagd" (zeg ik als zeiler, Ben houdt het als
technicus op "getuid") op de grond naast de keet.
Dag 5: Loyale medewerking
De
schaftkeet heeft ook mijn goede vriend Paul Smolders enthousiast aan het denken
gezet. Snel werd een keukenblokje ontworpen waar mijn pas gekochte
roestvrijstalen aanrecht met gootsteen en drie propaanpitten in past. De
propaanleiding dient vertakt met behulp van klemfittingen. Water komt uit een
kunststof 50 litervat dat Paul nog wel heeft staan. Ik moet een dompelpompje
bestellen. Om het kleurenpalet van het interieur van de schaftkeet optimaal aan
te passen aan de verfkleur van mijn permanentje heeft Paul zijn haar in
diezelfde merkwaardige richting geel mislukte kleur blond laten verven
als dat van mij. Tevens vertelt hij mij dat het uiterlijk van mijn auto,
de schaftkeet, en mijn bezigheden van de laatste tijd hem aan het denken hadden
gezet over wat ik langszamerhand ben geworden: een amateurarbeider.
Er zit iets in. Het bevalt mij wel: ik was al amateursaxofonist en
amateurfilosoof. Nu dan amateurarbeider. Een soort beun-beunhaas dus.
Goed, een beun-beunhaas, als ik maar het woord dompelpompje foutloos kan
uitspreken. Dompelpompje, dompelpompje, dompelpompje.
Dag 6: Inkopen bij de Wit en geheel onverwacht nog een standplaats ook
Bij de Wit in Schijndel kun je alles kopen wat mogelijkerwijs in een
kampeerauto of caravan ingebouwd zou kunnen worden. Ik koop er de voetschakelaar
voor de kraanwaterpomp, een propaanoven, en de benodigde koperen buizen en
fittingen.
Ja, meneer, zegt de man, je kunt nog een extra sokje bij de buis in in te
klemmen. De buis wordt er nauwer van, maar risico op lekkage wordt lager. En het
wordt binnenkort verplicht.
Deze keet komt in een verlaten Alpendal te staan meneer, zeg ik, dus met de
Nederlandse wormen en maden heb ik niets te maken. Bovendien ben ik aan het
emigreren dus ik moet uitburgeren. Maar zeg eens, zeg ik, de expert strak in de
ogen kijkend, is dat serieus, dat extra sokje, of was het zo'n commissie?
Een commissie, zegt de expert zonder met de ogen te knipperen.
Geen extra sokjes dus.
Even later zit ik een paar kilometer verderop in het Brabantse land achter het boerderijtje van jazzbassist Gerard en zijn vrouw Anjo aan de witte wijn met krabsalade. Ze wisten nog niet dat ik de universiteit van me had afgeschud, en ik deel de vreugde erover alsof die ook voor mij weer nieuw is. Mocht ik mijn huis verkocht hebben vóór ik uit Nederland weg ben dan kon ik wel met mijn schaftkeet bij hen komen staan. Nou ja zeg! Niet alleen eieren komen vanzelf op mij af maar eigenlijk gewoon alles wat ik nodig heb!
Eigenlijk komt de schaftkeet in principe altijd bij iemand staan: bij Gerard en Anjo. Bij Alain en Phanou. Het wordt dus, bedenk ik nu, een soort aanleunwoning. Thans hecht ik aan mensen met een wasmachine en telefoon (een hond er bij vind ik ook wel gezellig). Later, na mijn prostaatoperatie en met lichte staar en suiker wordt wellicht een warme maaltijd en bijhouden van het briefje met pillen en prikken van belang. Word ik een lastige oude man, hetgeen ik niet wil uitsluiten, dan kan wie genoeg van mij heeft mij naar elders verrijden ("agent ik voel dat ik word aangekoppeld....").
Dag 7: Vier maal lakken
Op de
zevende dag rusten wij niet: bakboord vóór in de hoek komt de douche, en midden
voor komt het roestvrijstalen aanrecht met gootsteen en drie propaanpitten. Ik
wou zuinig doen en voorlopig nog geen oven plaatsen, maar Bert Kerkhof lulde mij
na drie glazen prachtige port (bij één van zijn vrienden, zelf kan hij die niet
betalen) om: nu meteen een propaanoven!
Tja, het is waar, zelf ben ik maar een amateurarbeider en ik heb nu Paultje. Die
schroeft hem meteen open en adviseert hem van binnen te verbouwen, want dat
schijnt beter te zijn. Het gasinvoertuitje moet er niet achteruit maar onderuit
komen, zodat hij plat hoog tegen de voorwand kan.
Ik heb laatst flink wat uren gewerkt voor Paul en bied aan mijn uren voor hem
weg te strepen tegen zijn uren voor mij, maar Paul zegt:
als jij voor mij werkt ben ik je baas en ben jij dus goedkoper, en als ik voor jou werk ben jij mijn klant en ben ik dus duurder.
Ik denk hier diep over na, maar geef het op als ik mij realiseer dat dat gereken weinig zin heeft: het kan mij niet heugen dat wij ooit geld aan elkaar terugbetalen, hetgeen naar mijn smaak in Pauls voordeel is want ik ben ook soms zijn bankier.
De houten bekisting van de douchebak en het keukenblokje moeten vier maal gelakt worden. Nou, bij de vierde keer is amateurarbeiden geen liefhebberij meer, bah bah, waarom blijf ik niet gewoon in mijn huis wonen. Paultje beurt mij weer op: hij heeft de nodige afvoergaten al door de vloer van de schaftkeet geboord. Als je goed mikt kun je dus er al in pissen!
Paul zowel als Ben roepen tegen mij dat ik absoluut niet moet vergeten te
bitakken. Nou heb ik geen idee wat bitakken is, of hoe, waar, waarmee en waarom
je dat doet, maar ik laat mij niet kennen en roep dat bitakken al lang op mijn
lijstje staat. Ik bedoel, ik moet toch laten zien dat ik als amateurarbeider
niet van gisteren ben. Bitakken natuurlijk! Vertel mij wat!
Dag 8: Ben krijgt zijn elektrapaneel. Likkebaardend bestellen wij bij elektronisch postorderbedrijf Conrad
Inmiddels heeft Ben zijn tweede paneelontwerp af. Hier zie je hoe de stuurboordwand van mijn schaftkeer er volgens Ben van binnen uit moet gaan zien.

We bestellen de meeste elektronica-benodigdheden bij Ben's lievelings-postorderbedrijf Conrad Electronics. Ben begint er helemaal bij te kwijlen. Hij krijgt ook nog cadeautjes van Conrad omdat hij mij als klant aanbrengt. Daartoe moeten we zegeltjes plakken en nummers invullen op een kleurige bestelkaart. Het is een hele investering en ik begrijp er niet alles van, noch van de zegeltjes, noch van de glimmende kleurige dingetjes, draadjes en kastjes die we gaan kopen, maar ik voel met zekerheid aan dat het er allemaal in moet. Ben zal me later wel uitleggen waarom. Ik moet in ieder geval van Ben een multiplex paneel tegen de wand maken waar de hele boel op vastgeschroefd kan worden. Dit is een begrijpelijke opdracht die ik onmiddellijk uitvoer, vol verwachtig op wat komen gaat.
Dag 9: De inventaris er in moppen
Als je het begrip "inventaris" wilt definiëren denk ik dat je moet zeggen: alle hulpmiddelen om het lichaam te voeren wat het nodig heeft en te verlossen van wat het kwijt wil, met name dus alles voorafgaand aan de mond en volgend op de anus. Op het plaatje hieronder ligt dat in ruwe vorm opgetast in mijn huis, en dat moet dus uitburgeren, of, om in amateurarbeiderstermen te spreken, de schaftkeet ingemopt worden. Het is een nepplee. De stront moet je zelf handmatig ergens heen tillen. Je kunt ze wel krijgen met elektriche spoeling (naar zijn eigen bewaarvat). Dan lijkt het echter. Ik heb tot ontsteltenis van Ben voor een handpompje gekozen. Het ding is ontworpen voor de periode tot mijn tachtigste, en ik gok erop dat ik tot het eind daarvan in staat zal zijn handmatig te pompen. Tegen de dame van de kampeerwinkel zei ik: doe mij maar een met handpompje mevrouw, ik ben nog jong. Daar moest ze om lachen, maar als ze goed na zou denken zou ze weten dat ze eigenlijk lacht om mensen die er een met een elektrische spoelpompje op batterij kopen.
Dag 10: Tussen mijn inbouwhelden komt het stuurboord voor tot een treffen (accu of waterreservoir?)
Een botsing: Ben komt van rechts naar voren met zijn elektra en Paul van voren naar rechts met zijn water. Ben wil de akku rechtsvoor, maar Paul wil daar het 50 liter watervat. Vóór dit diplomatieke conflict oplost neem ik maar gauw een foto.
"Ben's" akku van 75 (!) kg blijkt echter waterdicht. De waterton kan er dus
gewoon boven.
De steunpaal stuurboord vóór
(die bij stilstand op de grond gaat) gaat bij vol
watervat dus 125 kilo extra dragen. Mijn adviseurs
stellen mij hierover gerust.
Bij verhuizingen gaat het watervat leeg en wordt de akku midden in de keet boven
de as gestuwd vanzelf.
Dag 11: de tweede aanslag op de schaftkeet
Dag 11, een zondag, gebruik ik slechts voor een lakbeurtje hier en daar, en
het maken van het lijstje van de in Bens ogen naast de Conrad bestellingen nog
noodzakelijke kleine elektra-aankopen die ik morgen gewoon in Tilburg ga doen.
Om negen uur 's avonds blijkt men echter opnieuw de steunpalen
van de schaftkeet te hebben losgedraaid, ditmaal alleen aan de voorzijde. Erg
hard kan de keet niet voorovergevallen zijn, want ik was thuis en heb niets
gehoord.
Dezelfden? Anderen? Men kan de bouten er gewoon uit draaien en meenemen. Dat
gebeurt niet. Men kan nog verdere schade aanrichten. Dat gebeurt ook niet.
De grootste lol die mij hieraan lijkt te zijn is het observeren van mijn
reactie. De beste plaats daarvoor is de pleinuitgang Noordzijde. Kalm wandel ik
Oostzijde het pleintje af om vandaar links achterom te gaan en in een woeste
sprint achter de mogelijke vijand te geraken.
Niemand.
Als er al uitzicht wordt genoten dan, het zij nogmaals bevestigd, vanuit een
kamertje aan het plein zelf, en wel dat van de puber-kleinzoon van Opa.
Maar ik zie daar niet veel bewegen en krik mijn kar maar weer op.
Kijk, ik begin al uitburgerende die zigeuners ook wel te begrijpen: als ze zo
tegen je doen ga je vanzelf stelen.
Op de dag na mijn verhuizing hiervandaan ga ik denk ik hier aan de overkant een
kraakje zetten.
En bij die puber haal ik alleen zijn complete verzameling pokkeCD's weg, die
knip ik door en strooi ze over het plein. O ja, en als ik die scooter te pakken
krijg is die ook total loss.

Enfin, de huidige bouten van de stabilisatoren hebben een handgreep, dus
morgen maar bouten kopen zonder handgreep, met een inbuskop, waarvoor je een
speciale sleutel moet hebben, thuis voor zo'n leegogige puber in ieder geval
moeilijker te vinden dan een ei.
Mijn schafkeetfabrikant Böhmer Schafketen BV te Doetinchem had ook erg met mij
te doen toen ik vertelde dat er al meteen een lichtkapje afgemept was. Men zou
mij meteen een nieuwe sturen. Nee losse kapjes had je niet, alleen hele
armaturen. Een paar dagen later viel het in de bus. Zonder rekening.
Verpoppen gaat het lichaam niet ongemerkt voorbij

Verpoppen gaat het lichaam niet ongemerkt voorbij:
eerst kreeg ik bij de tennis een scheurtje in de kuitspier, dat is dus drie
weken niet tennissen en hardlopen (skeeleren gaat gelukkig wel), toen werd ik
snipverkouden en als toegift heb ik nu een koortslip.
Maar ik laat mij nu niet meer van de weg snijden, de vrijheid lonkt zoals
wanneer ik bij een zwoel windje met mijn parapente op een grasveldje sta dat dra
uitkomt op een kilometers diep ravijn. Het ware geluk, dat evenwel als bekend
met heel wat angstzweet gepaard gaat, en dat moet er later weer af, dus het is
de hoogste tijd voor het bevestigen van een douchegordijn. De naad van het
gordijn wordt (zie foto) verlijmd onder het gewicht van prestigieuze
standaardwerken als de Oxford Dictionary, Palmer en Colton's History of the
Modern World, Janson's History of Art, en dan noem ik nog lang niet alles.

Rechts naast het gordijn zie je nog mijn drie meter tachtig lange plafondplank, gesloopt uit Ben's huis, waar onder andere de TL verlichting (12 én 220 Volt!) tegenaan gaat en die zich in de lakfase bevindt, alsmede de elektriciteitsbuizen die ik van Ben moest bestellen (ik heb geen idee wat er mee gaat gebeuren maar ik heb er alle vertrouwen in vanzelf).
Ik had in Microsoft Excel uitgerekend (de file is nu 149 kB) dat ik redelijk kon leven als ik blut wilde zijn op mijn tachtigste. Maar dan moeten de aandelen natuurlijk niet, zoals ze nu hebben gedaan, in waarde halveren. Zenuwachtig reken ik een nieuw worst worst case scenario uit: een normale koersstijging over de komende jaren zonder "inhaal"groei vanaf deze AEX ramkoers van 290.

Het perspectief blijkt sober, maar om er nou om te gaan werken, dat is toch ook weer overdreven. Trouwens, ik ben bezig over te gaan naar een beperkter bestedingspatroon, want in een schaftkeet leef je goedkoper dan in een huis.
Kortom, niet achterom kijken, voorwaarts!
Een tegenvaller: draadloze datacommunicatie heeft helaas nog slechts de toekomst
Erger dan de koers van de aandelen is het vertragingseffect van de
economische malaise op de verbetering van de draadloze datacommunicatie. Toen
mijn gedachten in de richting van schafkeet en Uganda begonnen te gaan ging ik
er zonder meer vanuit dat er tegen deze tijd goedkoop en snel draadloos
ge-internet zou kunnen worden: ik dacht dat het wereldomspannende
motorola-satelietnetwerk betaalbaar zou gaan worden. Maar dat is inmiddels al
twee jaar op de fles. De spullen zijn goedkoop overgedaan aan
Thuraya, die het helemaal niet erg vind overcapaciteit te hebben zolang er maar
rijke klanten zijn zonder alternatief die hun rijke klantenprijs willen blijven
betalen. De UMTS is al eens voor eind 2001 aangekondigd, maar dat
werkt alleen nog maar in en rond Tokyo. In Europa hebben de grote mobile telecom
bedrijven zich aan de frequenties falliet geveild, en in Amerika hoeven de
radiozenders hun breedbandfrequenties er van Bush niet eens voor in te leveren,
dus die gelooft dat Saddam vóór het UMTS tijdperk zijn biologische wapens al
lang over de Amerikaanse consumenten van draadloze breedband communicatie zal
hebben afgeworpen, althans dat branden en overstromingen door global warming als
gevolg van zijn niet-ondertekenen van het Kyoto akkoord vóór die tijd de markt
in zijn land voor draadloze breedband communicatie grondig zal hebben bedorven.
Het zoethoudertje GPRS, "wel bijna zo snel als gewoon met de vaste telefoon", is
duurder dan het kopen en met de post versturen van diskettes, en kan bij KPN
slechts in de Staat der Nederlanden, dus zo ongeveer binnen de lijn
Westkapelle-Oudeschild-Nieuwe Schans-Venlo-Poppel. O2 roept hard dat hun GPRS
internationaal is, maar daar blijken ze Nederland, Duitsland en Engeland mee te
bedoelen, en buiten de landsgrenzen is het aanzienlijk duurder dan het
aangetekend in luxe cadeauverpakking verzenden van een goud gespoten diskette
met een mooie Bourgogne erbij. Dataverkeer opvangen met een satelietschotel gaat
redelijk, maar bij wegsturen (uplink) zit je meteen op een basistarief van 700
Euro per maand en dan komen die peperdure schotel en de Mb's nog.
Kortom, draadloos internetten heeft de toekomst, maar in het heden bevindt het
zich nog volledig tussen de schuifdeuren. In een schaftkeet ben je datatechnisch
momenteel toch nog wel zo in de aap gelogeerd dat de allerbeste oplossing in
onze moderne wereld van de 21ste eeuw de volgende is: een lokale
draadjes-telefoon provider nemen en aan de dichtstbijzijnde boer met telefoon
vragen of je computer even mag bellen.
Vol verwachting luisteren wij voortdurend met gespitste oren of er al een grote vrachtwagen van Conrad aankomt met de eerste bestelling met in de glorierol de Dryfit 230 Ampèreuur akku (de capaciteit dus van vijf autoaccuus maar niet in staat tot startontlading, waar duurzaamheid tegenover staat).